heelemaal licht, maar nu is het natuurlijk vreemd en moeilijk dat ze geen andere kleeren heeft dan die waarin ze vannacht thuis kwam. Daardoor loopt ze nu om drie uur in den namiddag langs de Prinz Eugenstrasse in een zeegroen satijnen soireejapon, en wat het vreemdst is, ze weet niet eens meer heel zeker dat het vreemd is. Ze loopt ook al van vijf uur 's morgens, eerst liep ze in Meidlingen waar Franz het flatje had, toen door Mariahilf, maar nu is ze in Wieden.
De koepel van de Karlskirche is nu heel dik en rond boven haar, men kan de groenkoperen platen tellen. Hij is te groot en te echt en te dikbuikig en, mijn god, waarom moet alles toch altijd geteld worden? ,,Ik tel niet meer,” denkt Louise maar dan weet ze al dat de onderste rand van den koepel aan deze zijde tweeëntwintig koperen platen breed is. „Nu loop ik door het park” denkt ze verder, „dan kan ik van den anderen kant de rest tellen”. Het is heel aangenaam dat ze weet waarheen ze nu gaat loopen. Naar de overzijde van het park.
In den Belvederegarten zitten menschen op de ijzeren huursto eitjes. Neen, niet de vreemdelingen en de deftige menschen van den Burggarten en ook niet de gezellige nietsdoeners van het Stadtpark. De ambtenaarsvrouwtjes die haar vaat hebben gewasschen, passen er op haar kinderen en het meisje dat Kringels verkoopt, heeft zich maar op de punt van een stoeltje bij hen durven zetten, straks als de stoelenverhuurster komt, is ze alweer opgestaan. Zij allen zien hoe Louise voorbijgaat in haar zeegroene modeljapon op hooge zilveren hakjes, en hoe de Pekinees zijn zwartbruin neusje richt tusschen haar twee slaapwandelende
151