Zij loopt langs de huisdeuren en telt ze. Dertig, veertig, vijftig. Dan moet ze ophouden. Er zijn geen huisdeuren meer, er is alleen nog zand en kaalgetrapt grasland.
Nu steekt ze over naar de andere zijde van de straat. En telt terug, dertig, veertig vijftig, vierenvijftig. Juist. Dan staat ze weer op den anderen hoek van de straat, aan de Prinz Eugenstrasse waar de lange leege tramrails ligt.
Daar houdt ze op met tellen, want haar oogen hebben in de verte een punt gevat waarop ze af kan gaan: den koepel van de Karlskirche. Langs de heele lange rechte straat hoeft ze nu niets meer te tellen, nu kan ze zoomaar loopen. Tot den koepel van de Karlskirche.
Loopen, loopen. Misschien zijn er wel menschen op het trottoir die haar tegemoetkomen, maar zijzelf komt niemand tegen. Ze loopt en loopt alleen te zien hoe de koepel van de Karlskirche grooter wordt.
Achter haar loopt de kleine hond. Het Pekinees je dat haar in doodsangst narende toen de Hausmeister het wou opvangen en dat dus nog bij haar hoort. Ze weet heusch nog wel een beetje dat de Pekinees er is, zijn belletje is blijven rinkelen, stellig zou ze het hooren als dat belletje niet langer rinkelde. Het klepelt kleine zilveren toontjes, altijd en altijd dezelfde, de Pekinees zou nergens anders kunnen zijn dan achter haar hakjes waar hij thuishoort. Ze kijkt niet om, de koepel van
149