eerst dansen!” knikt ze vriendelijk en onthoudt zich van commentaar.
Zoo ondervangt zij zijn minderwaardigheidsgevoelens en hij is haar dankbaar met vele blijken van dankbaarheid. De geldzending aan een Brusselsch juwelier wordt door den meesmuilenden, doch discreten procuratiehouder ingeboekt, terwijl Van Dogteren, ietwat verreisd, zich bezighoudt met de vraag of zijn kleine danspartner inderdaad zijn geposeerde mannelijkheid evenzeer heeft gewaardeerd als zijn geschenken. Maar wat doet het er ook eigenlijk toe? Van Dogteren begint zijn wereld te kennen. Het meisje is aantrekkelijk genoeg en mag men de geheimste gedachten van zijn even-mensch aldus naspeuren? Ook Van Dogteren heeft geheime gedachten, die hij niet graag aan de openbaarheid zou prijsgeven; alleen de procuratiehouder vermoedt iets van hun bestaan, omdat hij de hoofdboekhouding voert. Ze staan in nauw verband met het eigen kapitaal van mevrouw Van Dogteren (dat natuurlijk safe is) en de jongste prijsdaling, die niet van zoo voor-bijgaanden aard blijkt te zijn als vorige kleine afwijkingen.
En temidden van deze beslommeringen viert Van Dogteren zijn vijffcigsten verjaardag. „De mooiste leeftijd, het hoogtepunt van het mannelijk bestaan”, toast de G/^-redacteur en Van Dogteren drinkt hem toe, ad fundum, hoewel zooiets eigenlijk niet mag vanwege zijn, natuurlijk zeer lichte, verkalking. Maar terwijl hij het perspectivistisch verlengd beeld van de kostbaar beladen tafel in zich opneemt, herinnert hij zich plotseling hoe hij na afloop van zijn twintigjarig
125