bare kieken zijn opgeborgen, behalve die van den eenig overgebleven Senegalees, die, als curiositeit natuurlijk, op het damesbureautje prijkt. De Senegalees is een aardig souvenir, maar is het aangenaam te bedenken, dat men in 1918 een oogenblik werkelijk bevreesd moest zijn voor wat zich uit mijnen en fabrieken over de Euro-peesche cultuur zou kunnen storten? De gemobiliseer-den hebben zich in de Harskamp zoo onsympathiek gedragen, dat ze nu ook maar voor hun eigen slachtoffers moeten zorgen. Mevrouw Van Dogteren heeft haar aandeel in den oorlog geliquideerd. Er is genoeg gesidderd, *— vive la joie.
Mevrouw Van Dogteren wordt nog in lang geen vijftig, haar zwarte kapsel blijft onverwoestelijk in overeenstemming met haar nauwkeurig verzorgde teint, het kan nog jaren zoo blijven mits ze haar maatregelen neemt. Dit garandeert het juist opgerichte Eerste Amsterdamsche Institut de Beauté. Het Institut is duur, maar wat zou dat? Het kapitaal van mevrouw heeft zijn vruchten gedragen; op een exclusieve modeshow kan ze zich den zilvervos van vier mille rustig permitteeren. De shows brengen ook avondjaponnen als doorzichtige nevelsluiers, pailleté, perlé, men draagt dit alweer in het nog gedeeltelijk rouwende Parijs ■—-zou men hier te lande, waar niets te rouwen of te berouwen valt, niet een dergelijke robe mogen riskeeren? Doen de Instituts de Beauté niet het hunne om de nationale statige massiviteit tot welgevuldheid te masseeren? Alstublieft, zegt de haute couture en exporteert speciaal gefabriceerde glansrijke avondkleedij naar het welvarend Nederland, dat zoo genadiglijk
121