‘k Heb vanavond een wandeling gemaakt door de polder, weet je waar ik aan dacht, Els. Alle bomen zijn bij ons weggestolen. Waar moeten nu toch de vogels wel heen. Ze moeten toch nestjes bouwen en zingen in de hooge bomen. Alles en alles wordt toch wel getroffen. Maar het einde nadert toch. Er vloeit veel bloed, er is groot leed. Maar het leven roept en lokt en we luisteren vol aandacht. Vrouwke, ’t was geen diepzinnige brief, toch was ik heel even dicht bij je hoewel m’n visite met elkaar zit te praten en ik toch af en toe afgeleid word. Houd je goed. Veel liefs van ons allen hier, ’t kleine jongentje is een wonder en onze grote troost. Je moest hem eens even kunnen meemaken. Zonnig en schattig en levensblij. Mijn grote rijkdom, Els. En die twee blonde dochters worden zo groot en zijn zo dapper. Wil je Roos, die een goed moedertje voor je is, heel hartelijk van me groeten. Ook Ru en de kinders.
Je vriendinfor ever