het zwart voor mijn ogen en dacht ik te moeten krijsen en anders doodziek te worden. O, wat was dat ontzettend. Weetje die beruchte rukken in een lift, maar dan langer en veel hoger. Ik ging er direct uit toen ie stilstond, duizelig, misselijk, wankel op mijn benen, vast van plan er niet meer in te gaan. Maar toen Gees en Rheina nog een 2 keer hadden gedraaid, moest ik toch ook nog eens. En toen ging ik wel 3, 4 keer achter elkaar en vond het best leuk daarboven, ver van alle mensen en toch zo dichtbij dat ik op ze neer kon kijken en hen kon onderscheiden. Doch daarna was het gebeurd met me en was ik straal-, straal-kotserig in mijn keel. Ik keek een beetje rond of er geen leuke Anschluss was, maar we stonden net in een lelijke buurt, daar vond ik geen klap aan de mannen. Geesjes verkering Geert, een zwarte opgeschoten jongen met slingerende ledematen, kwam ook nog. Ze hadden eerst even zwijgende ruzie, maar het eindigde toch ermee dat ze samen in een bakkie belandden. Om even voor negen verschenen 2 beeldige agenten en gaven teken tot stoppen, wat prompt werd opgevolgd. Geert kwam eraan met nog 2 jongens, waarvan de ene vroeg of hij geen verkering voor hem had. Geert wees op mijn buik, maar het jong had geen zin en ik nog minder. Ik gluurde stiekem naar de agenten die ik geweldig vond en vroeg Geesje er eens met mij langs te flaneren. Maar Geert week niet van onze zijde, dus kwam er niks van. De agenten stapten op en ik had een strop. Wij gingen de tandem weer halen. De bakkersvrouw zat voor de deur met haar vriendin te kleppen en ze wilden graag, graag kijken hoe we nou opstapten. Ik gaf Geesje nog goede raadgevingen en hup, hop we gingen. Maar het was mis, hoor. Een vriendelijke jongen had zich al achter ons geplant om ons op gang te helpen, maar ik bedankte hartelijk. We probeerden nog eens. Weer mis. Tot we eindelijk, eindelijk zaten en wegspoten. (...) Vlak bij huis passeerden we Marinus Emming, de boer die tegenover Geesje woont met vrouw en twee kinderen, met een prachtig, heel groot, dik, lichtbruin paard. We maakten een praatje en toen vroeg ik hem of ik erop mocht. Nou, dat was best, hoor. De jongens in de buurt tilden mij erop, het was ontzettend hoog en daar ging Els boven in de lucht. Ik zat heel stevig, legde mijn benen tegen het warme paardenlijf en genoot. Zo nu en dan een woord tegen Marinus en zo ging het voort tot we er waren. Marinus gaf me een hand en ik sprong eraf. (...)