van jullie drietjes heb gehad kwam bijna nog niet voor. Eerstens hebben jullie me heel jullie liefde en vertrouwen geschonken, jij wel in ’t bijzonder. Dan dat jij en Ro vooral zo buitengewoon goed aanvoelen door welke drang wij gedreven zijn dit werk te doen stemt ons en mij zeker tot grote tevredenheid. Jullie zijn geen menschen die zo aan de lijve de armoe gevoeld hebben als wij, dus konden jullie ook niet zo begrijpen hoeveel geestelijk leed wij al doorworstelden. Daarom rijpte bij ons de liefde, beloofden we ons leven te zullen inzetten om deze armoe op te doen heffen. Daarom begrepen we ook dit leed en kwamen tot jullie en boden onze hulp aan. En nu denken jullie na, lang niet allemaal doen dat, en alleen uit dit feit voel ik de dankbaarheid. ’t Was een vraag voor jullie hoe vreemde menschen dit allemaal voor jullie konden doen. ’t Waarom heb je begrepen, vrouwke, en nu gaan we verder. Bouw nu aan je eigen ziel, aan jouw leven en dat van anderen. ’t Geeft veel teleurstellingen maar meer nog vreugde. Daarom werd ons vadertje zo sterk omdat in hem is dat eeuwige vuur datje altijd verwarmt en koestert. Hij schreef in één van zijn brieven omstreeks kerst: Ik heb geen kaarsen nodig om te weten dat er licht is in de wereld. Het licht in mij is zo sterk dat het wel jaren zou kunnen branden zonder z’n kracht te verliezen. Zie je Mieke zo moet het zijn in je binnenste, zo licht en warm, zo ingeleefd moeten je idealen zijn, dat het leven ze je niet kan ontnemen. Altijd weer voel je de waarheid van deze woorden (Agaaths lijfspreuk naar Albert Schweitzer). Je mag nooit zeggen: Ondank is ’s werelds loon. Ik doe niets meer, want wat helpt het je. (...)
Iedere tijd is groot en diep en rijk van inhoud. Later zullen we weten hoe goed het was nu te leven. (...)
Alles draait toch om de liefde, meisje, in kleine en grote zin. (...)
’t Was niets van Wim tegen mij. M’n liefde voor Jo geeft me een pantser tegen alle mannen. Ze zijn bang voor me als het daarom gaat. Mijn ijzige blik stoot ze af'. Gaat het om zuivere vriendschap dan kunnen we elkaar vinden. Wim weet niet wat vriendschap is. ’t Is een groot zwijn. Later na de oorlog zal je alles weten. Hij mag nu van me kletsen wat hij wil, de huichelaar. (...)
Jouw brieven en Geert dat zijn m’n steunpunten. Je moet blijven schrijven, elke post kijk ik uit en Geert zegt al: heeft je dochter