Rudolf terug en grapte zelfverzekerd: “Als u een Jood was zou ik dat zo wel zien.” Bij deze woorden voelde ik onwillekeurig een rilling in mijn hartstreek. Doch het volgende ogenblik drong de komiek van de situatie tot mij door. Rudolf met zijn donkere ogen en zijn donker haar! Roos op de achtergrond zwartharig, blauwogig met een neus die naar mijn ervaring typisch Joodse kenmerken vertoonde en Marijke met haar gitzwarte haar en donker-vurige ogen, door Roos zelf ‘zigeuner’ gedoopt, als geslaagd resultaat van hun verbintenis. Naast hen kon ik mij tegenover een niet-ingewijde bijna veilig voelen.
Terug op de tandem pochte Rudolf hoe hij door zijn tegenwoordigheid van geest aan het gevaar (van te worden opgepakt voor de arbeidsdienst) was ontkomen.
Sprakeloos over zoveel gemis aan realiteitszin trapte ik - inwendig hoofdschuddend - stilzwijgend door.
Uit mijn voor Ruth bestemd dagboek:
27 juli, donderdagmiddag
(De data zijn in Ruths handschrift).
De tijd vliegt zo dat ik het haast niet bij kan houden. Ik zal je dus eerst eens vertellen wat er nu is, anders raak ik helemaal achter en vergeet de helft. Roos heeft iets. Maar wat? Ze werkt me zoveel mogelijk tegen; alles wat ik zeg wordt tegengesproken. Het irriteert me afschuwelijk. Je kent het wel, precies Jenny, natuurlijk alleen anders.
28 juli 1944, vrijdagmorgen 8 uur
Een hopeloze keet, wat een gedoe. Roos heeft een koude drukte aan d’r lijf gehad gisteren, vreselijk gewoon. Dus zal ik je nu eerst maar van gister vertellen. Natuurlijk maakten de kinderen ons vroeg wakker en toen zijn we dan, hoewel moe, gauw opgestaan. Een rotzooi, ontzettend, waar te beginnen. Eerst de koffers leeggeschept op het gras voor onze schuur en toen maar hoopjes gemaakt en Ru heeft hier in de koestal, die door de deel