24 juli 1944, maandagavond Geliefd zusje,
Ik heb mijzelf en jou beloofd ik zou deze vacantie precies voor je vastleggen als verjaardagscadeau (Ruths verjaardag was op 27 september). Ik zal proberen het elke dag bij te houden, maar ik beloof niets absoluut zeker. Ik weet ook niet wat ik mij er feitelijk onder heb voorgesteld en toch heb ik me daar het meest op verheugd.
En zo zijn wij vanochtend om 4 uur opgestaan en ben ik de dag begonnen met jou naast me en wil ik hem ermee eindigen. Ik zit nu hier in Amersfoort bij A., Roos’ enige en beste vriendin, nog vanaf d’r kinderjaren. De mannen praten over politiek, de vrouwen zijn in de keuken koffie aan het zetten.
Nu is het half twaalf, ik lag eerst op zolder in bed naast F., ik moest kiezen óf op de grond naast de hond, met Muis in één bed of hier. Hier geïnstalleerd ben ik aan de schrijftafel gaan zitten hoewel doodmoe. We hadden natuurlijk 2 min. van huis al ruzie. Roos ’ tas scheurde en zij kiftten met elkaar. Er zat meer achter. Ru wilde terug, zeker niet uitgeslapen. Het was zwaar trappen met Muis achterop die rotfiets. Gelukkig op tijd op de boot. (Waar wij op de boot gingen, herinner ik mij niet). Dat viel tegen. Had gedacht mijn gedachten te kunnen laten zwerven in het oneindige groen. Maar er was slechts water en daar achter een rechte lijn, wat me benauwde en verveelde. Trouwens eerst deed ik als steeds in zulke gevallen gegeneerd, met mezelf geen raad wetend. Tot de kinderen moesten plassen, want toen trokken we erop uit. De herinneringen vlogen naar een jaar geleden toen ik met vadertje en het kleine jongetje ook op een boot had gezeten. Ze vlogen naar Mutti met wie ik een keer in Rotterdam op het schip was geweest. Ze bleven daar bij Mutti op hoge hakjes, met haar schattige bruine hoed en haar zo lieve uitgaansmanieren en gezellige dingen. Maar nu op de boot wilde ik vrij zijn en ik nam mij voor te vechten voor die weken van het leven in iets nieuws, een heel bewust leven verblijd door herinneringen, maar niet versomberd door het beseffen van wat