Wereldoorlog. Met vrouw en kinderen keerde hij voorgoed terug naar Nederland.
Nu ik dit reconstrueer, dringt het tot mij door dat Rudolf ook met een licht maar in mijn oren ‘muzikaal’ accent Nederlands sprak (een andere taal heb ik hem nooit horen spreken).
Oma B. nam mij zonder wikken of wegen aan als haar oudste kleinkind. Zij breide voor me, stopte mij, net als de kleintjes, extra lekkers toe en toonde echte belangstelling voor mijn wel en wee. En ik hoorde haar met veel geduld toe zoals ik dat bij mijn Oma gewend was geweest. Pas een twintig jaar na haar dood - ze overleed begin jaren zestig van de vorige eeuw - hoorde ik ter plaatse van Rudolf dat voor zijn moeder al vele jaren geleden een boom in Yad Vashem, Jeruzalem, was geplant (hetgeen nu gebeurde op mijn instigatie voor hem en Roos). Zij had gedurende de bezetting - daar wist ik tóén niets van! - aan menige Joodse onderduiker in nood een veilig onderkomen verschaft.
Na alle geopperde en weer verworpen plannen voor deze zomervakantie, besloten Roos en Rudolf ten slotte om met de drie kinderen en mij zes weken bij ‘hun’ boerenechtpaar op de koestal door te brengen. De familie Keizer woonde vrij primitief op een boerderij aan de bosrand in Lhee (gemeente Dwingeloo, Drenthe). Zomergasten ‘op stal’ betekende een welkome bijverdienste in de zomer als de koeien in de wei graasden én - zoals ik al gauw zou ervaren - een bijna even onmisbare gezelligheid. Rudolf zou ons op de fiets wegbrengen, een paar dagen blijven om op adem te komen en dan alleen naar Den Haag, naar zijn werkplaats, terugkeren. In zijn eigen vakantie zou hij wat langer komen logeren. En zo vertrokken wij dan op maandagochtend 24 juli in deze orde: Roos en Rudolf op de tandem met een voor die tijd modern aanhangwagentje op twee rubber wielen, vervoermiddel voor Folkert, Erik en onze bagage; ik op Roos’ fiets met Marijke achterop in het stoeltje. De eerste stop werd Amersfoort. En daar begon ik ’s avonds meteen verslag te doen aan Ruth in het haar tevoren beloofde vakantiedagboek.