dien eenen mooien dag, reeds de strengheid van den winter vergeten.
Het was Joop, als week heel zijn luchtige dwaze stemming van hem, om hem over te geven aan naargeestige peinzerij.
Hij zag zich weer aan den arbeid, dag aan dag — eiken dag het zelfde gedoe. Vergeten ging al het vrije, het onafhankelijk-onverschillige dat hem heel de staking door zoo heerlijk had doorstroomd en weer zou hij zich verliezen in den sleur van het daagsch-gewone.
Het stuitte hem — hij zag er tegen op; bijna wenschte hij dat de staking nog pas moest beginnen —.
Een lichte, opgewekte voetstap richtte zich naar zijn tred: Douwe kwam hem opzij. De jongen zag er nog netter en nog meer imitatie-dandy-achtig uit dan anders. Heel zijn gezicht glom, als had de vroege lente hem van haar glans gegeven en in zijn oogen lachte een vreugde, die Joop er nog nooit in had ontwaard.
— Je was niet in de zaal, Douwe, zei hij, om wat te zeggen.
— Nee, zei deze aarzelend, ik wist het immers al. Dan, greep hij plotseling Joop’s hand en schudde haar terdege.
— Je wordt bedankt en ik zal je altijd dankbaar blijven, Joop. Nooit had ik gedacht nog eens iemand te zullen ontmoeten, die zooveel voor mij zou willen doen. Jij bent een ware vriend voor me geweest — en ik hoop, dat je die altijd voor me wilt blijven. Nu — adieu — je ziet me wel spoedig weer — hoor!
— Ga je niet mee naar een kroeg of een kwartiertje omloopen ?
— Nee — antwoordde Douwe aarzelend en met vreugde en trots in zijn stem voegde hij er aan toe:
180