— Sien je — wel — sikkerlap — wie — had — nou — gelaik — wie ... ?
Daarop stommelde hij tegen Hein aan en deze tegen de deur. De deur stond op een kier en sloeg direct open. Beide mannen rolden over elkaar, languit in de gang.
Het was stil in de straat en in het huis, zoodat het druk gestommel en gegrom hoorbaar opsteeg tot op de bovenste verdieping. Opeens was het heele huis vol leven. Alle deuren gingen open en op de portalen ontstond gedrang van half ontkleede menschen. Allen praatten dooreen.
— Wat ’n herrie — wat ’n herrie — buurfrou....
— ’t Is ’n schandoal — in de loate oafond....
— God weit is ’t freimp follek--hoal ’s een lampie
Kei...!
— Breng den pouk mei, gilde een vrouwestem.
— Hou — jullie — toch — stil — gromde Nelis, ik —
breng — ’m thuis--’t is Smikkel — hie — is loaserus....
— ’t Is — Smikkel...!
— De fent is loaserus----
— Die is god fergeif me nog wel christelijk____
— Die keirel is lid — fan een onthouwersbond —
— Wat een schandoal four de trap —.
— Fan — die — froume — mot je ’t juist hebbe----
— Is — se — waif — niet — thuis — brulde Nelis luid op. Ik — droag ’m — niet — allein — noa — boufe — as — je — dat — moar — weit — hour —. Ik — droag — ’m — al — de — heile — weg....
De buren stootten elkaar aan en verkneuterden zich. De mannen schoten gauw een broek aan, om niets van het tooneel te missen. Nu en dan klonk een half luid gegichel.
126