XVIII.
HET VERHUISBOELTJE VAN HANSEN.
Het ging op de vergadering rumoeriger toe, dan ooit tevoren. Velen hadden thuis dagelijks kleine schermutselingen met de vrouw. Eiken dag vermeldden de dagbladen een grooter aantal werkwilligen dat bij de patroons heette te werken en in de oogen der vrouwen was de groei van dat aantal, schrikbarend voorspoedig. Ze wezen er met nadruk haar echtgenooten op en verweten hen steeds dringender, dat zij de kans lieten voorbijgaan om ooit weer werk te vinden.
Landers, de energieke, jonge voorzitter deed wat hij vermocht om een catastrophe te voorkomen en den moed er in te houden. Hij wees aan, dat die zoogenaamde werkwilligen meerendeels ongeoefende werkkrachten waren die na de overwinning der stakers, direct weer zouden worden op straat gezet. Het bestuur had een statistiek opgemaakt van alle vakgenooten in de stad en wist nu tot op een enkeling te vertellen, hoeveel vakkundige loodgieters de stad telde, en hoeveel daarvan werkten.
Zooals altijd wist hij met zijn suggestieve, dringend-betoogende stem, op zijn hoorders een kalmeerenden invloed uit te oefenen. En — als altijd, goochelde hij 100