XI.
DOUWE’S VORDERINGEN IN DE LIEFDE.
Onder weg deed Joop zijn uiterste best, Douwe zoo goed mogelijk op te warmen en zijn verlangen naar Mientje door allerlei toespelingen te versterken.
Hij had het weer over haar jeugd, haar dik blond haar, haar guitige, blauwe oogen; vond haar zoo verrukkelijk, in haar onbewust onschuldig-zijn en trachtte met woorden te schilderen, hoe lief zij hém wel moest worden, die haar niet als kind, maar als meisje, als beminde zou mogen beschouwen. Wat gelukkige vent hij zou zijn, die haar woorden van liefde zou mogen toefluisteren, terwijl haar handje in de zijne zou rusten.
Ze zou eenigszins teruggetrokken zijn, docht Joop — ook al had ze hem die haar verlangde, hartelijk lief. Maar — spoedig zou de omgang tusschen beiden vertrouwelijker worden, de ouders zouden hun toestemming geven en zij zouden zich verloven.
Dan zou de gelukkige pas bij benadering leeren beseffen — hoe groot de zaligheid wel is van een zoo vroolijk en toch zoo lief onschuldig kind te mogen liefhebben. Na lange aarzeling — zou zij voor den eersten keer hem haar frisch rood mondje toesteken en hij zou ervaren hoe men reeds op aarde 158