Jo en Dien reizen iederen dag heen en weer naar Amsterdam. Jo studeert in de rechten, Dien in de medicijnen.
Rob en Loe zitten in Delft, beiden willen ingenieur worden.
Kleine Nettie stapt iederen morgen, trotsch, met haar sehooltasch aan de hand en een troep vriendinnen bij zich, naar school.
De heer en Mevrouw Tervaart verkeeren in blakenden welstand en Mevrouws gezondheid is zoo goed gebleven als op den dag, toen ze uit Arosa terugkeerde.
Mevrouw Cortelingen, de lieve, verstandige vrouw, voelt zich blij en gelukkig, nu ze haar pleegkinderen ziet opgroeien, zooals ze het zoo gaarne wilde.
Kleine Nettie schenkt haar zóóveel geluk, dat daardoor het groote leed, dat ze steeds met zich meedraagt, minder schrijnend wordt.
Er is een vaste band gebleven tusschen haar en haar beide oudste pleegdochters, Dé en Tine.
Drie keer per jaar is het heele troepje weer voltallig, dat is op de verjaardagen van Mevrouw, Tine en Dé.
Dan wordt de tijd herdacht, dat ze nog de pleegdochters van Mevrouw Cortelingen waren.
En als op Dé’s verjaardag het heele troepje te gast is bij Dé en Wim, dan genieten allen van het jonge, mooie geluk der bewoners van Casa Bianca.
240