„Zoo kind, nu laat ik je weer alleen, ik heb de meisjes beloofd, gauw bij ze te komen.”
„Ik ga de kist verder ontpakken en dan kom ik ook beneden.”
Een half uur later kwam Dé, de armen beladen met allerlei mooie zaken uit Indië, zich in den huiselijken kring voegen.
Voor ieder had ze wat meegebracht. Mevrouw kreeg een prachtig bewerkten koperen bak, Juf een beeldig portretlijstje van karbouwen-leêr vervaardigd. Tine, Jo, Dien, Ada en Willy kregen allerlei mooie voorwerpjes uit ivoor gesneden en kleine Nettie een beeldig klein gouden medaillon, door Dé als kind gedragen.
„Maar kind,” zei Mevrouw weifelend, „wil je al die lieve herinneringen nu niet liever zelf houden?”
„Ik heb heusch nog zooveel, Mevrouw en aan wie zou ik ’t nu beter en liever kunnen geven, dan aan allen die zóó hartelijk en lief voor me zijn.
„Goed dan, kind,” zei mevrouw, die wel voelde, hoe’n behoefte Dé er aan had ze dit te geven.
Ze waren allen dolblij met de mooie geschenken en Nettie rustte niet voor het kleine medaillon om haar blanke, poezele halsje hing.
Toen allen weer rustig om de tafel zaten zei Willy:
„Zeg, wij moeten het groote nieuws nog aan Mevrouw vertellen.”
209
Casa Bianca 14.