worden, nu Vaders eigen woorden tot haar spraken.
Een zacht klopje op den deur doet haar opkijken.
„Mag ik binnen komen?” hoort ze mevrouw vragen.
Dé snelt naar de deur en terwijl ze Mevrouw naar binnen trekt zegt ze:
„Ik heb zoo’n heerlijken brief van Vader in de kist gevonden. Toe, Mevrouw, wilt u hem lezen?”
„Kindje, laat ik dat nu niet doen. Vertel me er liever wat van.”
Ze gingen naast elkaar zitten en Dé vertelde haar, wat Vader allemaal geschreven had.
„Wat ben ik innig blij voor je,” zei mevrouw met tranen in haar stem. „Wat kun je nu in warme liefde aan vadertje denken.”
„O, mevrouw, U weet niet hoeveel goed me die brief heeft gedaan. Hij zal me een steun in ’t leven zijn.”
„Ja, kind dat zal hij zeker. En je moet maar trachten zoo te doen, als ie Vader het ’t liefste had.”
„Ik denk zoo, dat Vader het zeker erg prettig had gevonden, als ik het een of ander ging leeren. Vader was zelf altijd zóó werkzaam en zoo energiek, daar wil ik een voorbeeld aan nemen.”
„Wat zou je graag willen worden, Dé? Heb je daar al eens over nagedacht?”
207