224
„Hoe komen jullie zo samen uit te gaan?” vroeg een beetje effen mevrouw van Vliet. „Ik heb het huis opgebeld en kreeg maar geen gehoor. Ik dacht toch minstens, dat er iemand thuis zou zijn.”
„Had u dan de huissleutel niet meegenomen?” vroeg Reindert.
„Neen, de telefoon bedoel ik.”
„O,” zei Reindert verstrooid, wantf al zijn denken was bij Bea.
„Waren jullie samen uit?” vroeg mevrouw, tè nieuwsgierig om te bedenken, dat ze haar zoon beloofd had hem vrij te laten.
„Blijft u nog even zitten, moeder,” zei Reindert plechtig en hij trok haar naast zich op de divan. „Zoudt u er iets op tegen hebben, een schoondochter te krijgen?”
Mevrouw’s hart maakte opeens een dartel sprongetje. „Heb je? zijn jullie ...?”
„Ja, moeder.”
„Is dat nou niet een beetje..mevrouw trachtte nog vast te houden aan wat zij de goede vormen noemde. Maar Reindert omhelsde haar onstuimig en zei, dat hij zo ongehoord gelukkig was, als hij niet gedacht had ooit te kunnen worden. „Toe, moeder, laten we nog even naar boven gaan. Ik ben er haast zeker van, dat Bea en Jet nog op zijn.”
Het was tegen alle conventie in, vond mevrouw, maar het lokte haar toch. '
„Ga dan maar even horen, of ze nog op zijn en vraag dan of ze hier komen. Je kunt toch moeilijk van me vergen, dat ik naar hun toe ga.”
Reindert vloog naar boven, om even later met twee stralende meisjes terug te komen.
„Was dat mevrouw van Vliet!” dacht Jet, toen ze zag, hoe teder mevrouw haar aanstaande schoondochter in de armen nam.
„Jet,” zei mevrouw, „zet jij nu eens de champagneglazen