We gaan terug naar Holland. Een groot kantoor in Amsterdam.
Er zitten eenige heeren aan groote bureaux te schrijven.
Een van die heeren staat voor het raam, hij kauwt peinzend op zijn penhouder en tuurt naar buiten.
Het is Chris, hij is candidaat-notaris.
Nu zijn we aan boord van een groot schip. Over de verschansing leunt de eerste stuurman.
Hoe kranig staat hem zijn uniform, en hoe pienter kijken de levendige oogen onder de stuurmans-pet uit.
Het is Piet. — Nu kan hij z’n lust tot avonturen bot vieren.
Florence. — Het is midden-zomer.
Voor een van de groote eafé’s op de Piazza del Duomo zit een jonge man.
Hij heeft een schetsboek in de hand en maakt kleine krabbels van de voorbijgangers.
Nu kijkt hij op.
Waar hebben we dit vroolijk, open gelaat meer gezien.
Halo! ’t Is Ambro. Hij is om studies te kunnen maken naar Italië vertrokken.
Hij is onveranderd, de hoofdman van het Hol van Kaan.
Z’n oogen staan nog even overmoedig en brutaal als vroege^. Hij zal zijn weg wel vinden door ’t leven.
Zoo — nu hebben jullie mijn helden een voor
Ü46