144
zó streng hield. Wat heeft hij talentvol comedie gespeeld! Ik heb het idee gekregen, dat we ons absoluut moesten opofferen terwille van een tirannieke Vader. Het was alles gelogen en al heel gauw bleek me, dat hij een aardig teke-naresje — ook een leerlinge van Vader — de cour maakte en Lotte hem daarbij in de weg had gestaan. Ik heb van dit alles heel veel verdriet gehad en het heeft gemaakt, dat ik wantrouwend tegenover andere mannen ben geworden. Ik weet, dat het niet goed is, maar ik kan het gevoel van „ze menen er toch niets van” niet kwijt worden. Misschien komt het omdat ik na die tijd nooit meer van iemand gehouden heb en zal ik het gevoel van wantrouwen pas kwijt raken als eenmaal de ware komt. En omdat ik dit allemaal doorgemaakt heb, kan ik niet anders tegen je zeggen, dan: zet hem uit je gedachten en tracht hem te zien zoals hij werkelijk is. Als je dit niet doet moet je hetzelfde doormaken wat ik heb doorgemaakt en het maakt je wantrouwend en triest.”
„Ik zal het proberen, Lottie,” beloofde Ans. „Het zal me misschien niet eens zó vreselijk moeilijk vallen, want tenslotte heb ik toch allang ingezien, dat Sjoerd een slappeling is, die niet voor verbetering vatbaar is. En als je werkelijk zó razend veel van iemand houdt, dan zie je dat niet zo helder in. Ik wilde wel, dat ik hem niet meer hoefde te ontmoeten, dat zou de zaak veel gemakkelijker maken. Maar ik weet niet hoe ik hem moet afpoeieren zonder dat Moeder en Clem er iets van merken. En ik wil hun niet graag Sjoerd laten zien zoals hij werkelijk is.”
„Als hij je het geld niet gauw terug kan geven zal hij vanzelf wel een poosje weg blijven,” veronderstelde Lotte.
„O, neen, dan ken je hem niet! Dat vindt hij de gewoonste zaak van de wereld en hij zal er zeker niet om weg blijven. Ik kan hem duidelijk maken, dat ik absoluut niet meer wil, dat hij me na kantoortijd opwacht, dat scheelt alweer een heel stuk, want bij ons thuis komt hij zo goed als nooit.”
„Eigenlijk mag je blij zijn, dat hij je het geld |te leen vroeg, het heeft gemaakt, dat je met nog meer minachting op hem neerziet, dan je al deed door zijn gebrek aan door