laat, geen seconde te vroeg. Christientje is af.... ze sloeg eenmaal ernaast, ze sloeg tweemaal ernaast, ze raakte den kluts kwijt en het hout van de zweep schuurde over de steenen.... toen sloeg ze wildweg, en raakte niet meer, geen enkele maal, de tol begon te slingeren, de tol begon te waggelen, al dichter naar den grond, maar bleef nog draaien, zoolang de rand niet aan de steenen raakte, ging eindelijk over stag, rolde opzij en lag als dood.... Christientje is af. Arie is af.... zij allebei zijn er nog bij.... al grooter wordt hun kans op een zilveren prijs; ze gaan langs elkaar en lachen tegen elkaar, hun tollen staan allebei even mooi, ze springen gezweept omhoog, komen luchtigjes neer op de punt en huppelen rechtop verder, ze hebben een vaart in, één lenigen slag nu en dan is genoeg, je zorgt alleen met groote stappen bij te blijven. Heerlijk gaat het, heerlijk heersch je over je tol. Je kunt best eens even blijven staan, je zweep laten zakken, je voorhoofd afvegen.... maar hem geen seconde uit je oog laten gaan. Een vreemde jongen keek naar haar, wees met zijn hoofd naar haar tol, of ze hem niet vergeet.... ze lacht.... geen nood.... ze heeft hem vast met haar oogen, zoo, even een lenig klapje met de zweep, en daar huppelt hij weer, en ze huppelt nu zelf ook, de tol achterna, zoo heerlijk als dat gaat.
Vijf draaien er nog, ze zijn er alle twee bij, o als ze eens allebei met een prijs gingen strijken.... zij de eerste en hij de tweede.... of andersom,... bijna blijft het gelijk, maar liefst toch zou ze zelf de eerste winnen.... De steenen zijn bont van schaduw en zon, de tollen vliegen er doorheen, erin en eruit, in de zon, in de schaduw, in de zon.... Zoo was vanmorgen hun stoep en de straat, zoo zaten ze in het bonte van
92