voren.... en daar smakt hij tegen het ijs en daar ligt hij, hoog in de lucht vliegen zijn schaatsen op, je ziet de ijzers blinken, nu vallen ze terug, en alles dreunt. Lekker.... lekker.... lekker.... was hij meteen maar doodgevallen.... Zijn kameraden reden eerst door, schreeuwden alleen achterom, maar nu hij liggen blijft, komen ze terug, staan om hem heen.... o God, hij is toch niet werkelijk dood? Komt dan zijn bloed op hun hoofd, omdat zij het een oogenblik wenschten? Wel neen, vooruit, hij leeft alweer! Hè.... kan nog iemand anders zoo als Vader in de handen klappen? Net zoo doordringend en precies op dezelfde manier.... langzaam, klap voor klap, vol duidelijke bedoeling, als een roepende stem, maar luider dan een stem en verder reikend? Zoo klapt Vader 's avonds als ze binnen moeten komen en ze hooren het de heele buurt over waar ze ook spelen en wachten geen oogenblik en zetten het op een loopen naar huis. En kan nu een ander ook al zoo klappen.... en wie wordt er geroepen, wie bedoeld.... niemand geeft antwoord, niemand bindt af of rijdt naar den kant.... ze kijken om.... maar het is ook heelemaal niet een ander, het is Vader zelf, daar staat Vader op den kant! Zou Vader er al lang staan en ze hebben zien rijden en hoe goed ze het al doen? ״Hebt u ons zien rijden? En moeten we nu al naar huis? Is het al etenstijd?"
Thuis, in de kamer, één ding alleen dat ze dadelijk zien, en waarop hun oogen gevestigd blijven, als was de kamer overigens leeg: tegen het kastje geleund, een hooge, dikke stok, met een paar geweldig groote schaatsen er aan, schaatsen met riemen en gespen. Van wie hooren die? Waarom kijkt moeder zoo raar.... is het Jantje-lacht of is het Jantje-huilt? Wat
250