poffertjes-kraam en een met koek. Paard-en-wagen draven dwars er over, ze hebben gewoon de bruggen niet meer noodig, ze rijden van West naar Oost tusschen de bruggen door en de bruggen liggen voor mal, de menschen glijden onder ze door en ze leunen tegen de pijlers aan, om uit te rusten of hun neus te snuiten, precies waar anders het water zoo woelig en zoo griezelig onder de groote zwarte schaduwen ligt! Je moet maar niet meer vragen hoe dik of het ijs is, liever hoeveel water er nog staat; als een put en zoo donker ook, was het gat, waaruit de visscherlui de spieringen naar de hoogte haalden, bij tienen, bij honderden — wat raken ze ook niet benauwd in dat dunne laagje water onder dien geweldigen ijsvloer opgesloten en snakken naar adem en kwamen allemaal op die ééne opening af — diep als een put was het gat en de uitgehakte blokken stonden er omheen, als de Hunnen-bedden op de plaat in school, schier zoo hoog als je־zelf! Want ze stonden er bij en ze keken ernaar en ze zagen de zilveren spieringen spartelen aan de lange lijn, die kwam uit de diepe put en met hen stonden er heel veel anderen om heen. Anders in den winter hoor je vragen of je vraagt het zelf, 's morgens en 's avonds ״vriest het nog?" of ״dooit het al?" al naar wat je het liefste zoudt willen, niemand neemt nu meer die woorden in den mond, je weet al niet beter of het hoort zoo. Eenmaal zal het natuurlijk wel weer gaan dooien, over maanden.... je bent benieuwd, wanneer! Vader mag nu ook op het ijs, maar Moeders permissie was daarvoor niet voldoende, want een gelofte is ook iets van je-zelf en daarom heeft Vader twee centen aan een arm mensch gegeven en nu is het in orde en kan Vader gaan. Hun was nooit iets
247