ters rollen de menschen eruit en in de ijzige, groene diepten gaan ze reddeloos verloren. Het behoeft maar even, met zoo'n glasharden, gladden, donkerspiegelenden wand het schip te raken en het kraakt en alles is voorbij.... Ja, meester.... ja.... maar het schip is er toch nu nog zoo'n heel eind van af.... wel zes, zeven breede golven, tot waar de blauwe berg als vastgeankerd ligt.... hij drijft.... maar hij rent toch niet door het water als een hollend paard.... De meester lacht heel even.... ze hoeft zich niet zoo bang te maken, zij is toch zelf niet op het schip״., dan weer ernstig. Wat je ziet van den ijsberg is bij lange na de heele berg niet, het is er maar een klein stukje van... van eiken ijsberg zit het grootste deel onder zee... en dat groote deel ziet niemand, zoodat niemand ook weet naar welke richting het reikt en of er misschien scherpe riggels, vinnige uitsteeksels aan zijn, en tegen dat verborgen onderzeesche deel stooten zich de schepen in één minuut, in één seconde te kraken als een noot....
Ineens houdt de meester met vertellen op, zijn stok zinkt neer, hij luistert naar iets dat uit de verte komt, en ze luisteren ook en merken het ineens: wat is het stil in school, alle klassen leeg, alle anderen weg, de eenzame stap, dien ze kennen, wekt overal in de leege gangen echo's op: stap en echo's zwijgen tegelijk voor hun deur, een hand draait den knop, duwt een eindweegs door, ze zien het norsche gezicht met den grauwen baard, de opgetrokken schouders wrikken zich scheef in de smalle spleet, en niets zegt de bovenmeester, hij kijkt alleen, naar den meester, naar de plaat tegen het bord, langs hun aller tot hem geheven gezichten, naar de ramen, met hun dicht zilver bekleedsel van regenloovers, zijn oogen, veel feller-
220