thuisweg tegenkomen.... ze zal van de ״Haydarabad" alles hooren.... den hoek om.... en ze ziet ze vast.... maar neen.... ze loopt al op den dijk, ze is al dichter bij de haven dan bij huis.... ze ziet de schepen en het water in de laagte tot de verre bocht. Een bruine rand zoomt langs het blauwe water, de boomen maken met hun beetje loof een groot vertoon.... een goudig-groene franje is het riet. De jongens staan er nog, en lijken bijna in het riet verzonken.... zoo hunkeren ze over het water naar de boot.... je ziet het eer je het weet — ze zijn nog niet geweest.... Of komen ze er alweer vandaan? Neen.... neen.... het duurt wel lang.... maar het gaat gebeuren.... er waren er te veel voor ééns.... de grooteren gingen voor, die zijn er nu.... en blijven maar... je ziet ze loopen.... kijk.... Klaas Dral.... en Mein-dert Kools.... ze beenen langs den rand, hoog, hoog, hoog op het hooge schip.... maar komen die terug, dan mogen zij!
Ze staat en kijkt.... kijkt voor zich uit.... kijkt verder heen.... en kijkt haar weg terug.... Hoe staat ze hier ineens.... hoe kwam ze hier ineens.... ze zat daar net nog thuis.... ze wist niet.... wilde niet. Of Moeder goedvond dat ze ging? Stt.... Moeder weet van niets.... ze was ook niets van plan, ze wou hem tegemoet.... nu staat ze hier„.. In stooten komt de wind het water over, droog, somber ritst het najaarsriet.... veel blauwer dan de hemel is het water, een woelig, zwaar, een bijna-angstig blauw.... dat diepten, koud en peilloos, vol geheim lijkt af te dekken.... het klotst in het riet, het botst van onder bits en kort de dikke halmen dat ze schokken, hun pluimen zwaaien bovenuit, wilder gedreven door water dan door wind.... het drijft het
163