menschen toe, ze wenschen elkander nog-veel-jaren, nu komt ze ook naar hen en zij wenschen ook nog veel jaren.... onder den koe-kop door komen ze het nauwe gangetje in en Roos sluit de deur en leeg en eenzaam blijft de winkel achter. Een Jomtof-walm door het heele huis van kippensoep en fruit en warme taart.... mergtaart misschien, ze hebben toch het merg maar voor het nemen!
Ze zitten in de kamer vol menschen die lachen en praten aan het raam, ze luisteren en kijken naar buiten, over het water, dat is als een breede, een blauwgouden glanzende baan, waarover geen roering, geen rimpeling gaat onder de blauw-gouden lucht. Stille, bonte boomen in de tuinen aan den overkant, de groen-en-witte schuitjes lijken van papier, voorzichtig boven-op gelegd. Er bloeit een rand van dalia's op het achter erf, over den waterkant, want juffrouw Heilbron houdt van bloemen, ze staan omhoog en naar de zon geheven, hel fonkelend rood lijkt tegen het blauwe water aan te rusten. Ze hebben iedereen een hand gegeven en iedereen nog veel jaren gewenscht; er staan nu groote glazen limonade, er liggen dikke gele stukken boterkoek op schoteltjes naast ze in de vensterbank, — Roos en Schoon presenteerden hun ook en daarom vinden ze ze lief, juffrouw Heilbron geeft kinderen uit de trommel met haar eigen hand, alleen de groote menschen mogen nemen, maar ze is toch evengoed aardig. Gedurig hebben de menschen pret, hun lachen en praten gaat door elkaar, en verwart zich en komt weer in orde, het rechte van wat ze bedoelen kunnen ze toch niet te pakken krijgen, maar het is om iets van Roos en Schoon, want iedereen kijkt naar hen en zè lachen het hardst, hun wangen glimmen,
130