murmelend vreedzame buiten in hel gouden licht, en de jolige Jomtof-pret achter de deur, die naar een smal gangetje en verder naar de kamer voert. Kijk je tus-schen de latten door, dan zie je alles wat buiten gebeurt, je ziet de menschen langs de ramen gaan, ze strijken hun stemmen, hun lijven voorbij den rand en hebben geen flauw idee dat hun ooren en oogen zoo vlak-bij ze zijn, midden in de straat rijden karren, trekken glanzende paarden in kalmen draf de blinkende rijtuigen voort.... en aan den overkant zie je den kleinen snoepwinkel als voor het eerst, omdat hij anders inspringend naar achter tusschen twee rijke huizen voor het oog schier verloren gaat. Nu bekijk je hem als een afzonderlijk ding en ziet de witte krullen opgaan naar den groenen top en ziet het raam en al het lekkers dat er achter ligt en door de open deur de vrouw achter de toonbank staan. Ze hebben nooit eerder het winkeltje zoo duidelijk opgemerkt en zoo aandachtig bekeken dan nu ze, naast elkaar gebukt, uit den schemer door de witte jaloezieën turen. Maar is het niet vreemd, als je goed beschouwt, dat zulke groote dingen als heele huizen door zulke kleine spleetjes kruipen? Keek je ooit naar een boom of een wolk door het gaatje dat blijft als je je hand knijpt tot een vuist, maar niet heelemaal dicht, een gaatje als een speldeprik, een gaatje dat je zelfs niet ziet, als je je vuist bekijkt. Neen, zeg maar zelf.... lijkt het niet van buiten of onze vuisten stijf gesloten zijn? Dat is dus nog heel wat kleiner dan de reet van de jaloezie. Buk je nu naar het raam.... de vuist in het eene oog.... en het andere oog dicht.... je ziet den snoepwinkel tot het boven-raampje toe, je ziet het links en rechts tot aan de regenpijpen.... tot en met de regenpijpen.... Begrijp
128