VISITES-MAKEN
e loopen, met Vader, over de Koe-markt naar Sjoel, in den vroegen morgen, ze loopen in de stilte door een licht dat al geen schemering, maar ook geen zon nog is, het is het laatste van de schemering luchtig gemengd door het eerste van de zon, als het grauwe grutte door het witte tarwemeel, wanneer Moeder pannekoeken bakt. De torenklok meldt kwart voor zes, nu klimt daar dadelijk de zon boven den rand van de aarde uit en laat zich zien en ziet ook zelf weer alles ruim rondom zich na den nacht terug. De goudgrijze schemer scheert van laag uit langs de stee-nen, de straat lijkt, leeg, wel eens zoo breed, de huizen staan met oogen toe, de wind is weer het eerste op en speelt alleen en danst in het rond en krijgt je in het oogen neemt je te pakken bij je hoofd en schijnt je hoofd met aaien in het ruime, koele boven je te teekenen, zoodat je het klein en rond voelt staan op je lijf....
Als had het geregend, zoo glimmen de stammen, zoo druipt het uit de boomen, elk rijst gelijk de kaars uit kandelaar, uit het midden van een ronde voch-te plek, den jongen wind is dat te zwaar, hij krijgt er nauwelijks beweging in, het loof ritselt zwak, het roert zich telkens even, en sneller hoor je dan als zaten ze elkaar achterna, de droppels ploffen. Bij den tuin van kweeker Doets, daar zou je op regen willen zweren, het bosch van hooge dalia-struiken ligt als een natte warrel binnen tegen het hek dooreen gezegen, tot boven in staan de bonte en roode en witte bekertjes vol dauw.... Het tokkelt op de harde,
z
122