blikkeren doet het grooter schijnen, en onder haar kijken lijkt het in zilveren glanzing uiteen te vloeien.... Ze kreeg het niet dadelijk beet toen ze zich ten leste bukte, stijf stonden haar vingers en grepen opzij.... maar nu heeft ze het, het ligt op haar open hand en ze kan het van dichtbij bekijken.... Er is geen wereld meer om haar heen.... niets dan een leegte vol ontzaglijk suizen en zij daarin met zichzelf, met niets dan met zichzelf heel alleen.... Het kan toch onmogelijk hetzelfde dubbeltje wezen? Dat ligt in den hoed van den ouden man en hij ging een anderen weg uit met zijn blinde vrouw en hier kwam niemand dan zij-zelf.... O neen, het is hetzelfde dubbeltje niet, het hare was nieuwer, fel-nieuw, met waaiertjes van strakken glans, zooals een hooge hoed ze heeft, en karteltjes zoo scherp dat ze nepen. Het is een ander dubbeltje.... er is een wonder gebeurd.... ze gaf haar dubbeltje weg.... en dit lag aan haar voeten en keek stralend naar haar op.... Er is om haar.... met haar een wonder gebeurd.... ze wordt heelemaal gloeiend.... ze wordt heelemaal ijl... ze wordt heelemaal bang.... Het is hier plotseling zoo uittermate stil.... als er nu eens iets ontzaglijks te gebeuren stond.... als er nu eens een teeken geschiedde.... zooals er in de Tora staan..., teekenen tot belooning, teekenen tot straf, teekenen voor den twijfel, teekenen voor het gemor, teekenen die als vermaningen van een almachtig en altijd-gespannen gadeslaan de daden der menschen volgen als op den voet.... gestalten boven de toppen der bergen, schaduwen uit de dalen, schijnselen aan den nachtelijken hemel.... flitsen in het blauw.... waarboven.... waarboven.... Het stolpt hoog over haar hoofd, ze zou er om niets ter wereld in opzien durven.... Waar is het Oog,
120