3O6
ken, ieder en keer als het geluid van het deur belletje van buitenaf het huis binnenstoof en de stilte stoorde. Hij kon het zijn, die buiten wachtte. Ze sloop naar het raam en schoof het gordijn terug, ze sloop naar de deur en luisterde en loerde aan de kier, haar hart hamerde, of het zichzelf vernietigen wilde — het duurde even, en de doodskou van een wreede zekerheid verjoeg dat brandende lijden en martelde haar daarmee te zamenzoodanig, dat haar hart smeekte of dit zich niet herhalen zou. Doch het herhaalde zich wel en sleepte ieder-maal eenzelfde foltering aan, zoodat Heieen in den naderenden avond volslagen uitgeput was. Ze wist nu dat hij niet zou komen en dat geen zekerheid overschoot dan van zijn schriftelijk antwoord —, dit kon er pas in den laten avond zijn. Ze ging uit en bracht het tot den hoek van de straat, keerde zich om en vloog ijlings terug, stormde naar boven, maar vond er niets. Toen ging ze in de keuken en liet de oude vrouw een boodschap verzinnen, die haar een uur uit huis houden zou. Ze ging uit in een kunstmatige kalmte, die toenam en werkelijker werd, naarmate ze zich verder van haar huis verwijderde en haar zekerheid steeg, dat ze daar voorloopig niet terugkeeren zou. In een vol uur kon er veel gebeuren. Toen ze een meisje was, was eens een van haar kleine broertjes weggeloopen en verdwaald. Ze ijlde schreiend heen om hem te vinden, bleef uren achtereen in donker weg; toen ze terug