DE KLAS VAN TWAALF
bibliotheek-dag.... alles wat achtereenvolgens kwam en ging.... alles was voor het laatst.... Het schoolleven spoedde ten einde. En nu dit!
„Vind jij het ook zo belabberd?” vroeg ze Marie Mol, die warme zomermiddag, terwijl ze samen op en neer liepen, in afwachting van de schoolbel. Het was heel heet, de lucht strak blauw boven de goudgele vlammen van het mosterdzaad, het zware gloeien van het rijpend koren; onder de lome voeten brandde het dagen achtereen geblakerde grint; het lichte zomergoed drukte zwaar als een harnas om schouders en heupen heen.
„Vind jij het ook niet ellendig van Door en Nel? Net of er iets gebroken is, iets van ons allemaal.”
„Ze worden misschien wel weer goed,” zei Marie een beetje mat. Ze wiste zich het hete, bleke gezicht voor de zoveelste maal. Haar zakdoek was al doornat, ze transpireerde vreselijk, ze was nie<t sterk. Wel groot en dik was ze geworden, maar de kracht bleef ontbreken, en het leren viel haar zwaar. Na de zomervacantie zou ze privaatles krijgen. Ze wilde en moest er komen....
De beide meisjes waren de bruine beuk in de hoek van het plein genaderd en bleven nu even in de schaduw staan. Lien keek op in de bladermassa, donker waar schaduw viel, dof robijnrood doorgloeid waar de zon zich door het loofdak boorde.
„Herinner je je wat mijnheer Adelink laatst vertelde over de wortels van bomen? Hoe ze precies het spiegelbeeld vormen van de kroon? Zodat de uiterste haartjes het vocht kunnen zuigen, dat rondom van de verste blad-puntjes druipt.... Ik hoop dat hij vandaag ook weer afdwaalt op zo iets aardigs....”
Door de zomerhitte klonk nu traag, als onwillig, het kleppen van de bel en iedereen haastte zich uit het wel vrije, maar zo hete buiten naar het koele binnen. Mijnheer Adelink was er nog niet en de meisjes van de vierde groepten bijeen in de hoek, waar ’s winters de kachel stond, of begonnen vast op haar plaatsen de les te
216