DE KLAS VAN TWAALF
„Doet u dan in die tijd even uw mantel aan, en blaas eventjes uit op de veranda. Het is heerlijk, helder weer...” „Waar.... waar...?”
Het vrouwtje knikte naar een glazen deur in de hoek. Ze hielp de meisjes huu mantels uitzoeken en Lea en Let liepen de deur uit en waren op de veranda....
Verrast bleven ze staan. Die stilte, die zuivere, reine lucht. Hoog in de hemel de kleine, fijne halve-maan, sterren overal, geen wolk, geen damp. Zwart strekte zich, beneden de houten balustrade, het slapend, rustig water, tot ver, ver weg, waar de lichten van de spoorbrug fonkelden in de duisternis. Witte strepen en vlekken en plakkaten tekenden de besneeuwde oevers, de huizen, de daken, de schuitenhuisjes, de glooiende tuinen, de schuiten en schepen, aan de wal gemeerd, wier mast-lampen hoog in het donker als zonnetjes blonken....
„Wat heerlijk.... wat mooi....” fluisterde Let, naast Lea op de balustrade geleund. „Om nooit, nooit te vergeten....”
Uit de zaal klonken nu gedempt de slepende tonen van de „Quadrille des Lanciers”, de ouderwetse figuurdans, die nu nooit meer wordt gedanst. Het leek Lea alles even onwezenlijk, als een droom, als een verhaal in een boek. Ze kneep Let in de arm, dat het bijna pijn deed.
„Wij hier.... Wij.... Wij.... stel je voor!”
Let keek haar even aan, lachte, en keek weer dromerig voor zich uit.
„Soupeer jij met Aad Roessingh?” vroeg ze dan.
En Lea dacht: Ik zal maar doen of het geen droom is, of het geen verhaal is.
„Ja,” zei ze.
Ze bleven staan, tot hun voeten en handen ijskoud geworden waren, wierpen nog een laatste blik op het nachtelijk wit-en-zwart, al het vredige, slapende van water en schuiten en huizen en gingen door de klemmende glasdeur weer gauw naar juffrouw Meynen om Lets kousenband in ontvangst te nemen. De quadrille was bijna afge-
198