WINTER OP DE MOLEN
liever, ten slotte niet had gewild.... toen ze Anna voor hen beiden had laten spreken, die dag in de wachtkamer.... die vergadering, waar Door zo gek had gedaan, zo gek, en zo goedig....
„Neen, niet misschien....” kwam Anna weer. „Niet misschien, maar stellig en zeker! Ik heb het trouwens al vroeger gedacht... maar ik heb het weer van mij afgezet. Ik vond het altijd zo.... prettig.... dat je in alles precies deed wat ik wou.... ik denk soms van mezelf, dat ik wel een beetje heerszuchtig ben.... net als pa misschien....” Haar stem haperde en Lien was diep onder de indruk, dat die trotse, teruggetrokken Anna zich nu zo voor haar vernederde.
„Je hebt het toch altijd goed met mij gemeend.... en mij altijd met alles geholpen....” haastte ze zich te verzekeren. „Goed gemeend, zeker.... dat doet pa trouwens ook met de mensen waar hij over baast. Maar dat helpen was juist glad verkeerd. En voortaan.... moet je op je eigen benen leren staan....”
„Wat bedoel je...?”
„Dat we van nu af niet meer samen zullen werken....” „Niet meer samen werken? Laat je me dan zó maar in de steek? En dat terwijl we in Maart overgangsexamen hebben? Maar dan zak ik vast en zeker, dan kom ik nooit in de derde klas....”
Anna dacht even na. De overgang van de tweede naar de derde was inderdaad de gewichtigste van de hele vierjarige cursus. Het was een werkelijk examen, een heel moeilijk examen. Want voor de derde moest de schifting streng zijn, daar begon de practijk, in de derde werd je „kwekeling”, leerde je „zielkunde” en „methodiek”, naderde je van héél uit de verte, maar tóch, reeds het eind, het examen voor de acte. Daarom was de scheiding tussen tweede en derde zo scherp, daarom voelde zich, wie „drie” had bereikt, een heel eind boven „één” en „twee” verheven, veel nader tot „vier”. Neen, Lien had gelijk, ze mocht haar nu niet ineens laten schieten... maar gelei-
101