DE KLAS VAN TWAALF
deren, en de verkeerde sloot op gereden en op het verraderlijke diepe „kolkje” achter de molenwerf door het ijs gezakt. De tweede gil hadden ze al niet meer binnenshuis gehoord.... ze waren toen al met ladder en touw in doodsangst naar de plek geijld, vanwaar de vreselijke kreet geklonken had.
Lien was niet bewusteloos, enkel verstijfd van kou en als verlamd van schrik. Terwijl Mol en zijn vrouw haar naar binnen droegen, trok Marie ijlings haar mantel aan, zette haar muts op en rende over het ijs naar de plek, waar de tocht in tweeën splitste. Anna kon terugkomen. Anna zou zeker terugkomen, ze zou niet zonder Lien naar hun ouders, naar hun dorp durven gaan. En net dat ze er stond, daar kwam Anna aangeschaatst, in een razende vaart... als een vage gedaante over de rechte, lange tocht.... een donker spook.... want al dichter werd de damp, al zwakker en flauwer drong er het maanlicht nog doorheen.
„Anna! Anna! Hierheen!” riep Marie haar tegemoet. „Waar is Lien...? Wat is er gebeurd? Die gil...?”
Anna’s stem had bijna geen klank, haar keel was droog van het jachten en van de angst.
Toen ze een ogenblik later de molen binnen kwamen, lag Lien al in bed. Wonderbaarlijk gauw had moeder Mol haar uitgekleed, drooggewreven en onder de wol gestopt. Ze lag in een grappig klein opkamertje, er brandde enkel een kaars op een klein tafeltje, maar de deur naar de grote kamer stond open. Ze voelde zich al bijna behagelijk, ze begon al te gloeien, inwendig ook, door de grote kop kokend-hete chocola.
Heerlijk lui leunde ze haar hoofd in het dikke, zachte kussen.... en plotseling barstte Anna, die nog niets had gezegd, in hevig snikken uit.
Van teruggaan kon natuurlijk geen sprake meer zijn.... en juist begon het tot ze door te dringen, dat de ouders daarginds wel in doodsangst moesten verkeren, en vroegen ze zich af, hoe ze nog te bereiken voor de nacht, toen
98