DE KLAS VAN TWAALF
nog stond ze zo, sidderend.... niet wetend waarheen en hoe.... even nog stond ze zo.... midden op het ‘donkere vlak, dan brak ineens met ijselijk gekraak de broze bodem onder haar voeten weg.... en ze zonk, ze zonk tussen het plassende, brokkelende ijs, met een plons in het weke en woelige, in het ijskoude, stikdonkere water weg.... Ze sloeg haar armen over de grauwe ijsvloer in doodsbenauwdheid, en hield zich hangende, maar haar trappende, zoekende voeten vonden geen grond. Bijtend, vlijmend stak haar de kou, onder haar gestrekte armen kraakte het ijs, het was als werd ze naar onderen weggetrokken....
Had ze gegild.... had ze zó hard gegild, dat ze het hadden gehoord in de molen en waren komen aanlopen met ladders en touwen? Had haar gillen Anna bereikt tot waar ze moest hebben staan wachten bij het derde bruggetje, zodat ze als een razende was teruggeschaatst tussen de bleke velden, over de stille tocht?
Zelf wist ze het niet, zelf kon ze ook later niets vertellen.... toen de anderen vroegen, weten wilden, hoe het voelde om op een eenzame schemeravond door het ijs te zakken en geen grond te vinden onder je voeten.... en of je dan aan doodgaan dacht, en of het waar was wat ze altijd vertelden, dat je dan alle gezichten voor je kreeg, van je vader en je moeder en wat je verder aan liefs in
96