overweging, dat ze toch wel nuttig is. Men kiest ook zijn beroep in overeenstemming met zijn aanleg, niet met het oog op het ,,nuttige" daarvan.
Spinoza kon als pantheïst onmogelijk den ,,goddelijken" oorsprong van het maatschappelijk recht erkennen, doch hij was als zeventiende-eeuwer tucht-lievend genoeg — we zullen later nagaan in verband waarmee hij zoo was en wezen moest — om een zeker nuttig tucht- en strafrecht als noodzakelijk en gewettigd te erkennen, dat hij dan vergeleek (in zijn „Staatkundige Verhandeling") met het recht van den mensch, een dollen hond neer te schieten. Maar wie kan zich Spinoza-zelf voorstellen als rechter, hem, die niet eens professor wilde worden, daar het hem onmogelijk was, zijn natuur geweld aan te doen, evenals dit Sokrates onmogelijk was, al had het hem het leven kunnen redden, en zoo goed als het iedereen onmogelijk is, in wien de goddelijke Redelijkheid ontwaakte, koelzinnig, uit nuttigheidsbesef tegen die Redelijkheid te handelen — hij kon, door verstandelijk inzicht in de noodzakelijkheid van orde, het maatschappelijk recht een zeker bestaansrecht toekennen, maar om het metterdaad te handhaven, zonder innerlijk conflict, en in die gemoedsharmonie, die vereischt wordt om dat wat men doet, goed te doen, daarvoor moet men in de goddelijkheid van het recht gelooven en in eigen bevoegdheid, door eigen voortreffelijkheid en vlekkeloosheid, om het te handhaven en uit te spreken. Ook daarom is godsdienstig dogmatisme maatschappelijk onmisbaar.
Het komt ons voor, dat men nog steeds te veel het menschelijk handelen toeschrijft aan ,,verstandelijk inzicht", terwijl toch het krachtig en doeltreffend handelen, niet alleen in de ,,massa", maar ook in den z.g. intellectueel alleen voortvloeit uit een krachtig ingeschapen,,instinct" (tot lust omgezette bestemming). Zulk een krachtig instinct werkt dan ook altijd en overal, men kan het niet naar believen als een kraan open en dan weer dicht draaien, om daarna naar believen in volkomen tegengestelde richting te ageeren. De organisaties van de Duit-schers werken zoo perfect, niet omdat de Duitschers het ,,nut" van de organisatie zien, maar omdat het maatschappelijk instinct, het instinct van eenswillende, uniforme samenwerking, zoo bijzonder sterk in hen spreekt. Dat dit instinct zich dan
71