na het plegen met schrik en verbijstering ontwaren, blijft het drama nog vrij-eenvoudig; het wordt echter pas gecompliceerd, het volkomen ,,moderne drama", zoodra de mensch tot voldoende kennis en zelfkennis is gekomen om zich bij voorbaat van de ontoereikendheid zijner daden, van het nuttelooze zijner pogingen en daarbij dan ook natuurlijk van zijn zedelijke onvolkomenheid rekenschap te geven, terwijl hij, tot dien trap gekomen, tegelijkertijd weet, dat hij toch altijd zal moeten kiezen en dat de onpartijdigheid, het ,,bikkelen met de kinderen" een illusie en een fictie is. Dit dubbele besef voert hem dan, naar zijnen aard, tot twijfel of vertwijfeling, tot scepticisme of tot wanhoop. Zoo is het drama van den nog onbe-wudten mensch het drama van de ontoereikendheid, blijkend na de daad — het drama van den bewusten mensch is óf het drama van den twijfel voor de daad — d£ van de vertwijfeling na de daad. Schiller's drama's behooren nog tot de eenvoudige — de personen zijn daarin nog niet tot volledige bewustheid gekomen
— Shakespeare's ,,Hamlet" — De Musset's ,,Lorenzaccio"
— zijn drama's van twijfel vóór de daad, Hebbels ,,Judith" is een drama van vertwijfeling na de daad om eigen zedelijke ontoereikendheid. Het drama van Brutus (Julius Caesar) is het׳ drama van de vertwijfeling na de daad, door het falen van inenschelijk wikken tegen de meedoogenloosheid des levens.
Twijfel en ontoereikendheid — ziedaar de gemeenschappelijke grondslag van elk drama, dat een waarachtig menschelijk conflict, voortvloeiend uit 's levens structuur, tot onderwerp heeft — het is het besef van eigen onzekerheid en „onvoldragenheid", dat in den wijze leeft en dat de grondslag wordt van zijn levensbeschouwing, 't welk de kunstenaar, op andere wijze, veraanschouwelijkt en dramatiseert.
En daarom is de ware kunst, stammend uit het ware Eenheidsbesef, evenzeer onmaatschappelijk als het ware denken.
Ten eerste al om de grenzen- en distincties-vervagende tendentie, een aanslag op de uniformiteit, welke grenzen en distincties van allen aard tot haar instandhouding van noode heeft. De conclusie, dat elk dogma van welken aard ook, falen moet tegenover de eindelooze tegenstrijdigheid onzer daden als relaties en functies is al een bijzonder onstichtelijke — onkerkelijke en onmaatschappelijke — conclusie, die
60