van een coöperatie — dat hij maar liever zijn rogge en tarwe behoorlijk aan de regeering opleveren moest 1 Zulk een antwoord heeft met ״zaligheid" en „godsdienst" niets te maken en zou door eiken „atheïst" gegeven kunnen zijn — het bewijst dan ook alleen, dat alle modernisme slecht gedurfd en onrijp atheïsme, of pantheïsme, en de moderne dominee een tastbare tweeslachtigheid is.
Het veranderd inzicht in de natuur van de zonde, het besef dat niet dogma's, maar daden iemand tot Christen maken, voert dan in een verder stadium tot een gevoel van gemeenschappelijke medeplichtigheid aan gemeenschappelijk kwaad; daarmee samenhangend openbaart zich afkeer van maatschap-pelijk-kerkelijke schijndeugd en vooral ook afkeer en walging van het maatschappelijk optimisme. Het scherpe ageeren tegen ,,officieel optimisme" is, we zeiden het reeds, een opvallende trek in het anti-maatschappelijk individualisme van de achttiende eeuw. Er is gedurende den oorlog veel en scherpelijk over dit „officieel optimisme" gesproken, in de natuurlijk ook in dit opzicht vlekkelooze ,,neutrale pers", die er zelf bij toeval niet tot was verplicht! In alle oorlogvoerende landen verbloemde de regeering mogelijke fouten der legeraanvoerders, en verheelde de zware wonden, land of leger of beiden geslagen, met geen ander doel dan der critiek den mond te snoeren en eigen standpunt ongehinderd door te zetten.
Ook hier blijkt weer duidelijk, dat de oorlog niets is geweest dan de brand in een altijd smeulend huis, dat het „a la guerre comme a la guerre" niets anders is dan het „les affaires sont les affaires" en dat de fundamenteele tyrannieke redeloosheid van elke collectiviteit alleen wat scherper dan in vredestijd naar voren treedt, maar niet in en door den oorlog is ontstaan. Holland kende het „officieele optimisme" evengoed in den tijd van Max Havelaar, als Frankrijk het kende in den tijd van generaal Fochl Het „optimisme" toch is de mooie naam voor den onwil (de onmacht) van den maatschappelijke van alle tijden om het ware wezen en de noodlottige uitwerking der maatschappelijke dogma's en moreele maximen te doorgronden en eigen corruptie te aanschouwen, optimisme is dus altijd „officieel". De maatschappelijke kunstenaar is optimistisch : hij laat steeds de deugd beloonen — den heldenmoed zege
364