,,God" en ,,Natuur" leest, stuit telkens op monotheistische ketterijen, op een onvermogen ,,God" en ,,"Wereld" werkelijk, voortdurend en natuurlijk (dat is: zonder gespannen verstandelijke zelfcontrole) als één te begrijpen en niet te scheiden — Schiller voelt zich zelfs nog en noemt zich nog bij ettelijke gelegenheden: Protestanti In hem is het pantheïsme nog maar zeer onrijp — in de geesten van Kant en Goethe nadert het pas de grenzen van het menschelijk vermogen om de Eenheid natuurlijkerwijs te vatten en te beleven, vermogen, waarvan we moeten vreezen, dat het ook in de grootsten toch nimmer heel groot kan zijn.
De geestesbeweging, welke aan dien vollen bloei voorafging, heeft men zeer eigenaardig ,,Aufklärung" genoemd — ze is, van de Eenheid uit, een afrukken van oude blinddoeken, ze is als het breken van ijskorst en eierschaal, waaronderuit het verstolde en verstilde leven tot nieuwe beweeglijkheid ontwaakt. Dat de ,,poëzie des levens" het daarbij zwaar te verantwoorden kreeg, dat de ,,wieders" van het onkruid des bijgeloofs ook de bloempjes des geloofs hebben uitgerukt, zooals Heine het uitdrukt, dit alles kon niet uitblijven. Hoogelijk onbillijk zou het zijn, den mannen van de Aufklärung te verwijten dat ze het leven ontluisterd hebben — maar die onbillijkheid was weer billijk in hun directe nakomelingschap. Tegenover de theologische absurditeit en der theologen tyrannie van de zeventiende eeuw stelde de Aufklärung, die later vooral in Berlijn tot bloei kwam, waar ,,de boekhandelaren Nicolai en Frederik de Groote, het gekroonde materialisme, den schep-ter zwaaiden," om met Heine te spreken, de negatieve, heilzame werkzaamheid van weerspreken, bespotten en loochenen. "Was ze daarin niet ,,te ver" gegaan, dan was ze ook niet ver genoeg gegaan. Om iets te kunnen uitroeien, moet men het haten en wie iets haat, ziet er de deugden, de voordeelen, de goede kanten niet van. Liefde en haat zijn de werkdadige krachten, waaraan de gematigdheid van nature vreemd moet zijn. De matiging bewerkstelligt zichzelf in hun resultante, zij-zelf kunnen, mogen die niet betrachten. De zoogenaamde pedanterie van de leiders der Aufklärung is van alle tijden — want altijd en overal hebben menschen zich ingebeeld dat zij-zelf het Licht ontstaken, waarin ze het absurde en verdraaide van
359