wanen, maakt hem vrij in een besef van zijn onvrijheid, hoog in een besef van zijn nederigheid en nietswaardigheid, waaruit geen volgzaam nakomen van bepaalde wetten hem tot beteren staat verheffen kan, maar alleen het persoonlijke streven naar persoonlijke volmaking op individualistischen grondslag. Doch dit is alreeds pantheïsme en daartoe reiken slechts de weinigen. In het algemeen verhoudt zich het achttiende-eeuwsch Deïsme tot de zeventiende - eeuwsche dogmatieke theologie als het midden-negentiende-eeuwsche positivisme tot de vroeg-negen-tiende-eeuwsche Roomsche romantiek. De belangstelling is verlegd. Het ,,hiernamaals", met zijn ,,loon" en ,,straf", de Schrift, waaruit een iegelijk zijn ,,gelijk", dat is zijn recht op gehoorzaamheid van anderen en macht voor zichzelf komt puren, is er niet langer het zwaartepunt van, doch het hierbeneden, met zijn leerrijke wonderen en onontgonnen schat-kameren vol kostelijke kennis. Men eert nog vagelijk den Schepper als den grooten Bouwmeester, maar wijdt zich dan verder aan wat kenbaar en doorgrondbaar schijnt. Aan deze weinig-speculatieve zijde van het Deïsme beantwoordt de weinig-speculatieve, m*terialistisch-sensualistische filosofie van Locke. Zij is de filosofie voor een geslacht van ontdekkingsreizigers en natuurvorschers. "Want ook hier is weer een trek van gemeenschappelijkheid tusschen achttiende-eeuwsch en Renaissance-individualisme; beide perioden zetten zich in met groote ontdekkingsreizen, beide beteekenen ook in dien zin: Ontdekking van Mensch en Wereld. En dezelfde practische geesten, die in een periode van theologische belangstelling hun „leiddraden tot de Eeuwigheid" schrijven, komen in een deïs-tisch-natuurwetenschappeüjke periode tot een materialistische filosofie.
Het Individualistische, anti-maatschappelijke karakter van het Deïsme werd in Engeland onmiddellijk onderkend en derhalve werd het van overheidswege onderdrukt. Vrome lieden lieten legaten na voor de bekeering der Joden en voor de bestrijding der deïsten en atheïsten. De Engelsche zin voor den „gulden middenweg", waardoor Engeland noch de uitersten van autoritairen dwang, noch die van revolutionnaire eigenwilligheid in hun volle scherpte heeft gekend, schoon het groote rhythme zich daar zoo goed als elders liet gelden — hield de
353