vaart". Waar de collectiviteit (ten onrechte ,,gemeenschap" geheeten), het zwaarste weegt, zal men altijd deze zelfde gevoelloosheid jegens het (vooral het economisch-zwakke) individu aantreffen — waar voor het recht van elk individu wordt gevoeld, komt minder nadruk op de hooggeprezen „Rust" en „Orde", noodig om zich „zooveel mogelijk te verrijken."
Spinoza betoogt dan ook onomwonden, dat Orde en Rust volstrekt niet het hoogste en eenige doel is van den Staat en dat ze reeds te duur zijn gekocht, als ze met de volkomen dienstbaarheid der individuen zijn gekocht.
„Tusschen ouders en kinderen", aldus Spinoza, „zullen allicht meer twisten rijzen dan tusschen meesters en slaven, daar de eersten den laatsten eenvoudig het spreken beletten — toch volgt hieruit volstrekt niet dat het wenschelijk zou zijn, van het gezinsleven een slavernij te maken 1" Hieruit blijkt dus al, dat „gehoorzaamheid" voor Spinoza niet langer de hoogste deugd, en „orde" — „Ordnung" klinkt in Bismarck's „Gedanken und Erinnerungen" van elke bladzij als een kazerne-vloek — niet langer het hoogste ideaal is. En duidelijker nog treedt dit aan den dag in zijn briefwisseling met den heer Van Oldenburg, waar hij op diens (geijkt-maatschappelijke) bezwaren tegen zijn meeningen nopens de wilsvrijheid antwoordt dat „deze redenen zijn uitgevonden door hen die er niet naar streven de menschen wijs, maar hen gehoorzaam te maken." Combineert men uitingen van dezen aard met Spinoza's talrijke verzekeringen dat de wijsheid nimmer strijdig is met de ware deugd, dan ziet men maatschappelijke deugd (gehoorzaamheid) en ware deugd plotseling als tegendeelen in Spinoza's geest zich voordoenl Natuurlijk formuleert hij deze consequentie niet als zoodanig — voor ons is het echter curieus, ze te voorschijn te halen juist uit zijn onbevangen en spontane uitingen en te demonstreeren als de pure kiem van de komende Revolutie 1 Wat verder de echt-maatschappelijke stelling van Hobbes betreft, dat elk vooral de gelegenheid moet hebben zich zooveel te verrijken als de openbare orde het toelaat — het individualistisch rechtsbesef van Spinoza gruwt van de gevolgen, welke daaruit voor de zwakkeren en armeren moeten voortvloeien. Hoe anders klinkt zijn toon over ,,het gepeupel" dan die van Hobbes. Deze heeft het, echt-maatschappelijk,
306