haar zoon, opgroeiend, haar vijand zal zijn — de zoon (het kind) zijnerzijds sluit als loon voor de verzorging en onderstand die hij van zijn moeder geniet, met haar een contract van algeheele en levenslange gehoorzaamheid, 't welk door de moeder op den vader wordt overgedragen: het kind is de slaaf van de vrouw, de vrouw is de slavin van den man, de man van den koning, en dit zet zich voort van geslacht op geslacht, en het ,,contract" van de vaders gaat aldus over op de zonen, gelijk de wil des konings onvoorwaardelijk en ongebreideld op zijn opvolgers!
In denzelfden toestand van contractueele verplichting bevindt zich de mensch tegenover God wegens zijn zwakheid tegenover Gods alvermogen. God immers behoeft niemand te vreezen, dus geen contracten te sluiten (volgens de grondstelling) kan dus geen onrecht begaan — de mensch echter heeft alles van God te vreezen en verbindt zich dus „contractueel" tot onbeperkte gehoorzaamheid, opdat God hem sparen zal en zijn oogst laat gedijen.
Niemand in den Staat heeft eenig, ook maar het geringste recht naast en tegenover den koning — hij alleen is heer en meester over leven en eigendom, over leger en vloot, over kerken en scholen, hij is hoofd van de rechtspleging, hoofd van den Staat, hoofd van de Kerk. Noch godsdienstvrijheid, noch vrijheid van denken of spreken, noch zelfstandigheid van oordeel — niets rest er voor den mensch, die onder den Leviathan staat, dan de vrijheid „zich zooveel te verrijken als de openbare orde het toelaat."
Het aristocratische, maatschappelijke, zeventiende-eeuw-sche karakter van Hobbes' werk komt in vele trekken voortdurend duidelijk aan den dag, o. a. in eenige en voorzichtige, uit het verband liggende, restricties van de koninklijke macht ten opzichte van het privaat-bezit - in de typisch-maatschappe-lijke geringschatting tegenover bezitloozen, „boeven en gepeupel, die ,,anderen den échuld geven van wat ze door eigen Luiheid en onbekwaamheid bedorven hebben" (vergelijk hiermee nog eens weer de dialoog in de Inleiding van Morus' „Utopia") en niet onvermakelijk ook in het remplafanten-systeeml De „algemeene verplichting" tot krijgsdienst wordt, ook al weer met verbluffende spitsvondigheid, ten behoeve van de bezit-
301