misverstand. En dit besef is he£ wat het lezen van aanklachten tegen de collectiviteit, van verdedigingen, apologieën zoo aan-doenlijk-roerend maakt, te beginnen met die van Sokrates en te eindigen met die van madame De Stael. AVant tegenover soortgelijke uitingen in onze eigen dagen — ,,Open Brieven" aan staatshoofden en „Oproepingen" aan volkeren om „in naam van rechtvaardigheid en christelijkheid" dit of dat te doen of na te laten — voelt men onwillekeurig ietwat anders. Het is precies alsof men iemand hoorde betoogen tegen een paal of tegen den Westenwind — in het eerste geval uit verheven naïeveteit, in het tweede geval uit vrije triviale en dikwijls ijdele onnoozelheid.
Zoo beteekent dus het boekje van Rochefoucauld een belangrijk keerpunt in de zedelijke waardeering van den tijd. Meer dan van Molière, die de menschelijke ondeugden in hun excessen ten toon stelt en bespot, als leelijke en dwaze uitzonderingsvormen, en daardoor op een ander plan, maar eigenlijk precies als Milton en de Spectatoriale moralisten ,,de Zonde" buiten het gewone menschenleven schuift, aldus loochenend de gemeene plichtigheid aan het gemeene kwaad — meer dan van Molière is Rochefoucauld de geestverwant van Lafontaine 1 Minder precies, minder krachtig treedt toch ook in diens werk dezelfde tendentie naar voren. W"e moeten zijn interessante persoonlijkheid echter met stilzwijgen voorbijgaan, waar de feiten en de voorbeelden ons slechts spaarzaam mogen dienen tot toelichting en verheldering van datgene wat de Rede uit eigen werkzaamheid in ons als noodzakelijk heeft ontvouwd, en we dus uit het vele voorhandene slechts het meest karakteristieke kunnen kiezen.
293