״heilige" verontwaardiging tegen den „cynicus", den „pessimist", den ontwijder van het „schoone" leven, gewoonlijk van een tamelijk laag allooi en allesbehalve „heilig".
De zuiver-maatschappelijke moraal is, zagen we, op de beoordeeling van daden, die van het redelijke individu op motieven gericht.
Daarom zal elk individualistisch mouvement het karakter dragen van een ontwrichting der (uniforme) wetten ten behoeve van de persoonlijke zedelijkheid en het persoonlijk rechtsbesef. Deze tendentie is duidelijk te bespeuren in de ethische voorschriften van het Christendom. Overal wordt de daad als bijkomstig, de zedelijke bedoeling als hoofdzaak — het uniforme beneden het persoonlijke gesteld. Bijzonder karakteristiek is in dit verband de uitspraak dat „niet wat ten monde ingaat, maar wat ten monde uitgaat," den mensch verontreinigt, als weerlegging van de nuttige, uniforme, in ethischen zin onbeteekenende spijswetten der Joden ten gunste van de waardeering van het persoonlijke woord als uiting van het persoonlijke gevoel. Niet wie overspel pleegt, maar wie een vrouw „aanziet om haar te begeeren", die heeft volgens de eerder geciteerde uitspraak van Mattheüs overspel gepleegd. Niet in de daad, maar in de bedoeling ligt het zwaartepunt — hij, die uit louter vrees het overspel nalaat, is volstrekt niet zedelijker dan hij, die het pleegt.
Ook voor Sokrates was, gelijk vanzelf spreekt, het motief verreweg belangrijk boven de daad. Denken we aan de „Phaedon" en schier alle andere dialogen, waar uitdrukkelijk voortdurend wordt vastgesteld en afgesproken, dat hij alleen ,,rechtvaardig" zal heeten, die nimmer aan straf of belooning denkt, ja die, al bezat hij Gyges' ring, welke onvindbaar en onzichtbaar maakt, nochtans eens anders eer en eigendom zou ontzien en zijn naaste hulp verleenen. De man, die goed handelt, uit vrees voor straf, verdient in de Platonische waardeering den naam rechtvaardig niet.
En nogmaals ditzelfde zagen we in de Reformatie, ook deze doet zich voor als een ontwrichting van de Wetten, waar ze tegenover de uniformiteit der Goede AVerken, de uitsluitende waarde stelt van het Geloof — d.i. de gezindheid aanmerkt boven de Daad. En niet alleen daarin, schoon dit als
286