gezegd, alles wat niet tot de kerk van Milton behoort.
Merkwaardig is hier vooral de zelf-aansprakelijkheid van ,,Natuur" voor hare onvoldragen werken! De egocentrische, redelooze mensch vermag niet ,,slecht" en ,,goed" als betrekkelijkheden te onderkennen, even zoomin ook ,,volmaakt" en ,,onvolmaakt". Onbewust zijn God geschapen hebbend naar zijn beeld, heeft hij ,,Gods goedheid" naar eigen maat gemeten, naar eigen snit versneden en is het hem onmogelijk ,,goed" en „kwaad", ,,volmaakt" en „onvolmaakt" in Gods eene wezen samenvallend te voelen. Dies moet het kwaad door den Duivel uit den mensch, het „onvoldragene en onvolkomene" uit „Natuur" afkomstig zijn, waarbij dan weer ongemerkt Gods almacht hem als door een achterdeur ontloopt. Het karakteristieke streven van de Protestanten en Jansenisten der zeventiende eeuw, waarop we reeds wezen bij Pascal, om gelooven en denken te verzoenen, leidt hier als overal tot dezelfde verwarring en innerlijke (onbewuste) tegenstrijdigheid, die juist het tegendeel weer is van het bewustzijn der tegenstrijdigheid in de Eenheid, als het resultaat van het denken.
Duidelijk openbaart zich in Miltons bladzijden-lang pleidooi, waar hij vruchteloos beproeft „vrijen wil" met „uitverkiezing" te verzoenen en zich in zijn eigen woorden als in strikken verwart, de volledige zegepraal •an den Wil (het Moeten) over de Intelligentie. Milton was een kerkelijk-voelende, een autoritair-voelende en daarom moest hij, tegen elke evidentie in, weer in den vrijen Wil gelooven. Dit innerlijk en oprecht vasthouden aan de persoonlijke zedelijke aansprakelijkheid zullen we voortdurend met het autoriteitsbeginsel zien opkomen en afnemen. Want het is, zagen we, den zwakken maatschappelijken mensch onmogelijk iets te verteren, dat niet vooraf met „heilige" of „zedelijke" beginselen is aangemengd, het is hem niet voldoende, dat hij de macht bezit zondaren te „straffen", hij moet ook gelooven in zijn recht daartoe, dus in den schuld, dus in de vrijheid dier anderen.
In dit streven om het ongerijmde op redelijken grond aannemelijk te maken, laat Milton zijn God een soort oratio pro domo houden, waarin hij betoogt, dat de menschen hem hun zondeval, vloek en verdoemenis nooit zullen kunnen verwijten, daar hij hen schiep met voldoende kracht om te blijven staan,
275