meenschappelijke gewoonten gebaseerde, door gemeenschap-pelijken welstand mogelijk gemaakte omgang van standgenoo-ten. Denken we aan de (ouder wetsche) studenten- en officierencollectiviteiten.
In welke mate de ware menschenliefde ontbreekt in den collectief-voelende, hoezeer het hem onmogelijk is buiten en boven de grenzen van ,,eigen" en ,,vreemd" uit te voelen, bewijst Salomo's beroemd oordeel in het geschil der beide vrouwen om het eene kind, gebaseerd op de overtuiging, dat een vrouw koelbloedig een kind in twee stukken kan zien hakken, mits het haar eigen kind maar niet is, en blijkens de uitkomst terecht hierop gebaseerd. Het oordeel moet daarbij immers het toppunt van wijsheid verbeelden. Inmiddels werpt het op de ,,Joodsche" (algemeen-maatschappelijke) ,,wijsheid" en op de daarmee overeenkomstige menschenliefde een eigenaardig licht, waarin deze zoo-geprezen wijsheid verschijnt als de geslepenheid van den politicus, van IVLarcus Antonius, welke in anderen dadelijk datgene doorgrondt, waaruit eigen wezen is opgebouwd, terwijl de ware wijsheid altijd ,,naïef" is — als Brutus. En toch, was deze vrouw haar listige diefstal gelukt, ze zou zich aan datzelfde kind hebben gehecht en het hebben liefgehad. Zoo ook in de maatschappelijke liefde, in het maatschappelijk huwelijk, in de maatschappelijke vriendschap. Binnen de door de collectiviteit gestelde grenzen laat zich het eeuwig-menschelijke weer vrijelijk gelden, alleen daarbuiten reikt het niet. We zeiden het eerder: in den collectief-voelende is alles op zelfconservatisme gericht, want hij is de reproductie van der Eenheid zelfconservatisme. Hij is, we zagen en zeiden het in onze Inleiding ,,oprecht idealisme in dienst van zijn eigen geldkast" en diezelfde maatstaf geldt voor al zijn ,,idealistische" gevoelens. Zijn vermogen tot meegevoel en opoffering gaat uitsluitend uit naar ,,eigen volk", zijn vriendschap naar eigen clan, zijn overgave naar eigen vaderland, dat is, naar al datgene, waarin zijn eigen ik ontstaat en bestaat, derhalve: naar dat eigen-ik, naar zelfbehoud! Clan-gevoel, esprit-de-corps en patriotisme vervangen in hem de algemeene menschenliefde, de vrije vriendschap en het naar rechtvaardigheid strevend cosmopolitisme, alles waarin het ,,ik" zich verliest, zich opheft en dat als zoodanig de zelfopheffing van het Absolute uit
263