Renaissance had, in haar koenste vertegenwoordigers, missend de instincten van maatschappelijk ,,nut" en ,,gevaar", uitgaand van de Rede, de persoonlijke onsterfelijkheid reeds als absurditeit verworpen — schoon de Pausen zich tegen die ketterij bleven verzetten, wat ze overigens ook waren en duldden — maar de zeventiende eeuw ,,gelooft" onomstootelijk in de persoonlijke onsterfelijkheid, en vooral in Gods Rechterstoel, als in een onmisbaar tuchtmiddel en daarbij het eenige ,,hooger beroep" op, de eenige rem tegen den ongebreidelden willekeur van het absolute Koningschap. In het allereerste hoofdstuk van zijn ,,Pensees" ,,Contre 1'Indifférence des Athées," houdt Pascal zich voortdurend op deze wijze met het ,,hiernamaals" bezig. Twijfel aan, ongeloof in, onverschilligheid voor de persoonlijke onsterfelijkheid schijnen hem evenzeer monsterachtig als absurd. Want de ,,hemel" is voor hem uitsluitend een rechtszaal. En bij dit alles is nimmer sprake van een aannemelijke waarheid, maar van een heilzaam en troostrijk geloof.
Dit dus van binnen uit anders gevormde nieuwe geslacht van bouwers en stelligheid-zoekers bekrachtigt eigen persoonlijkheid, (door contrast-werking) herkent eigen roeping aan de aanschouwing van de vervallen en jammerlijke erfenis der voorgeslachten. De monniken in de vroeg-Renaissance gaven den spotvorm van Christelijke heiligheid, de verkondigers van ,,vrijheid" en ,,scepticisme" van het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw vaak den spotvorm der beginselen van Pico en Ficino en Montaigne te zien. Eens was het gezagsbeginsel een voorwendsel der geweldenaren, thans is het vrijheids-beginsel, het critische beginsel het voorwendsel der loszinnigen en eerzuchtigen. En het nieuwe geslacht, dat de plant alleen ziet in haar verval, nimmer kende in haar bloei — en zelf van binnen uit anders] — bekrachtigt aan dien aanblik een ingeboren behoefte aan geestelijke vernieuwing in tucht, orde en concentratie van krachten. Deze begeleidt den opgang van de zeventiende eeuw en dezelfde elementen in het ,,Christendom", die het in den aanvang deden triomfeeren, verzekeren het ook nu weder zijn oppermacht in de krachtige collectiviteiten van de zeventiende eeuw. Want men moet zich in den aard van dien triomf toch vooral niet vergissen. Nog steeds gaan de Christelijke theologen in hun
198