gehoorzamen aan wetten en autoriteiten gepaard met een overmatige achting voor rang, stand en geboorte, met alles wat er mee samenhangt; het een zoowel als het ander vloeit voort uit hetzelfde maatschappelijk instinct. In het O. T. is alles Wet — doch Christus beroept zich op de rede en op de natuur (gelijkenissen van de vogelen en de leliën), in de Middeleeuwen is het alles weer Wet en autoriteit — de Renaissance spiegelt zich (herkent eigen wezen) opnieuw aan de natuur. De natuur is de vijandin van kerken en maatschappijen. De natuurpoëzie der Grieken en hun op de natuur geïnspireerde beeldende kunst vindt gedurende de gansche Renaissance de grootste bewondering en navolging allerwege — later, over de dogmatische zeventiende eeuw heen, zal Rousseau weer zichzelf in Petrarca herkennen. Montaigne wordt nimmer moede zijn innerlijke ervaringen te toetsen aan de natuur, zij bevestigt hem in zijn ,,scepticisme", zij leert hem reeds, dat alle ,,goed" tegelijkertijd ,,kwaad" is en voert hem onbewust bijna tot het opheffen van alle vaststaande zedelijke waarden, dezelfde natuur, die voor den maatschappelijke en kerkelijke het ,,onbezielde" is en die nimmer door den Middeleeuwer om haar zelfó wil is gadegeslagen en bewonderd, waaraan hij slechts de uniforme symbolen van zijn uniforme heiligenvereering ontleende.
Het opheffen van de (maatschappelijke) distinctie tusschen ,,mensch" en ,,natuur" brengt alle natuurlijke uitingen weer in eere: de (zinnelijke)) liefde in de eerste plaats en daarmee de vrouw. Waar de liefde een zonde is, is de vrouw veracht en gevreesd als de verleiding. ,,De armen van de vrouw zijn de netten des duivels" — leerden de Middeleeuwsche kerkvaders — in de Renaissance komt, met de liefde ook de vrouw naar we weten pas tot haar recht.
Dit tot haar recht komen van de vrouw hangt ook nog op andere wijze samen met de vermindering van het maatschappelijk instinct, het beduidt verslapping van het gevoel voor tucht en onderworpenheid. Deze doet zich ook in de opvoeding der kinderen gelden. Waar de koning zich als een goddelijk wezen boven zijn onderdanen stelt, stelt zich (door eenzelfde instinct) de vader als een onaantastbare macht boven zijn kinderen — wijzigt zich de eene verhouding, dan wijzigt zich tegelijk ook de andere. De Renaissance-vorst verkeert op voet
135