den individualist precies even stuitend als die van de Erfzonde; voor den vloek tot in het vierde geslacht om zijns vaders zonde kan hem de zegen tot in het duizendste om zijns vaders weldaden geenszins schadeloos stellen. Hij haat het een met het ander en verkiest boven een dus gekochte zaligheid een persoonlijke waardigheid en desnoods zijn persoonlijke misère, aldus het redelijke stellend boven het nuttige, boven het heilzame, 't welk voor den collectiefvoelende het eenige is. Tegenover het levende gevoel van eigen onwaarde staat in den individualist het levende gevoel van eigen waarde, beide relatief. Het innig besef van des menschen zedelijke onvolkomenheid en onwaarde (door maatschappijen en kerken als ,,cynisme" en ,,pessimisme" gebrandmerkt) komt overal in de individualistische litteratuur van de Renaissance en de achttiende eeuw naar voren, gelijk we voortdurend zullen aantoonen, en gaat gepaard met de afwijzing van ,,Erfzonde" en ,,Zoenbloed", alsook met een protest tegen de automatische mede-aansprakelijkheid van het gezin in de schande van echtgenoot en vader. Ook hiervan zullen we te zijner tijd frappante voorbeelden geven. De hoogmoedige Renaissancist, de vrijgevochten achttiende eeuwer, die geen voogdij meer duldt en geen ,,erfzonde" of ,,zoenbloed" aanvaardt, laat tegelijkertijd geen aanspraken meer gelden op ,,persoonlijke onsterfelijkheid", den geringsten stumperd daarentegen schijnt een eeuwig persoonlijk voortbestaan volstrekt niet buiten verhouding met zijn waarde en waardigheid. Niets is den kleinen man te groot.
Duidelijk blijkt overal de samenhang tusschen dogmatisch-kerkelijke en maatschappelijke opvattingen, ze zijn in herkomst en wezen één, als spiegelingen van der Eenheid zelfontvlieding.
De innerlijke samenhang tusschen autoriteitsgevoel en uniformiteitsgevoel, en het optreden van beide neigingen in elke wordende organisatie vindt een karakteristieke illustratie in de (door Dielh en anderen meegedeelde) bijzonderheden over het uniformiseeren van de Christus-voorstellingen in de vierde eeuw (het tijdperk van den triomf der Christelijke Kerk) nadat in de beeldende kunst der voorafgaande periode de voorstellingen symbolisch (individualistisch) waren geweest. Tegelijkertijd maakt dan de Christusopvatting van ,,Vriend", ,,Leeraar", ,,Leider" en ,,Genezer" plaats voor die (maat
112