kende", aanschouwde, geleerde, overdachte, wordt nu in het licht van het nieuwe ,,dogma" opnieuw aanschouwd, geleerd, overdacht en wijzigt zich daarin op zijn beurt. Aan de aldus vervormde buitenwereld zal zich dan, omgekeerd, het „dogma" wederom toetsen, om noodzakelijkerwijs zich wederom te wijzigen. Zoo zullen „ervaring" en „dogma" telkens samenvallen — en even zoo vaak weer uiteenvallen. De nauwelijks tot zichzelf gekomene moet onmiddellijk weer van zichzelf vervreemden en die vervreemding leidt naar een nieuw tot zichzelf komen, zooals voor de draaiende brug het oogenblik dat zij den wal raakt samenvalt met het oogenblik dat zij dien wal weer verlaat. En dit proces, waarin „uitgangspunt" en ,,conclusie" telkens ineenvallen en telkens gescheiden worden, duurt zoolang het leven in den betrokken geest bezig blijft en is de zuivere afspiegeling van het proces der "Wereldgedachte.
Bouwt men derhalve in een oogenblik van samenvalling een systeem op zijn laatst-verworven „immanent dogma", dan begaat men feitelijk hetzelfde stremmende onrecht jegens eigen geestesproces, 't welk de dogmatiseerende collectiviteiten begaan jegens het in denkende individuen zich openbarende wereldproces. Dezelfde „zonde" — uit denzelfden aandrang naar zelfstelling, die zelfbestendiging is — uit verlangen naar „vastheid" in het eeuwig-vervloeiende Ik. Daaraan ontkomt niemand — en ook hieruit volgt, hoezeer alle „Levenswil" een schennis aan de Gedachte is. En daarom hebben we dan ook het volste recht van een immanent dogma te spreken, omdat elk systematiseer en is zelfdogmatisme tot zelfconservatisme. Maar de meesten zullen op die klip niet stranden, omdat ze zoover zelfs niet komen en levenslang in hun „vormlooze vermoedens" blijven, die dan als „intuïtie" worden opgehemeld en hooggeprezen boven het intellect.
Dit alles strijdt volstrekt niet met ons voortdurend zeggen, dat we alleen kunnen leeren, wat we al weten, dat we niet gelooven wat we zien, maar zien wat we gelooven. De groote arbeid is juist deze: te doorgronden, wat we eigenlijk weten, wat we begrijpen, dat is: wat we zijnl En daar de wereld, waaraan en waaruit we „ervaren", immers niets voor elk individu is dan de projectie van zijn eigen-ik, zoo kunnen we daarin, zoo goed als we ons gelaat zien in den spiegel, dat eigen
103